Historisch Herentals
Boeiend verleden
Wie Herentals, de historische hoofdstad van de Kempen, bezoekt, wordt meteen getroffen door de grote monumentenschat. Bezienswaardige monumenten en een nog steeds bloeiende folklore leveren het bewijs van een interessant verleden. In het midden van de twaalfde eeuw wordt de naam ’Herentals‘ voor het eerst in documenten vermeld. In die periode bezat het kapittel van Sint-Waldetrudis in Bergen de tiendrechten in Herentals en bouwde er een kerk.
Naast de agrarische kern, de ’villa‘, met de Sint-Waldetrudiskerk als middelpunt, ontwikkelde zich op de kruising van een landweg met een waterweg aan de Kleine Nete een tweede kern, een ’burgesia‘. In 1209 verkreeg deze nieuwe nederzetting van Hendrik I, hertog van Brabant, een vrijheidscharter. Herentals groeide van de dertiende tot de vijftiende eeuw uit tot een hertogelijke stad in het hertogdom Brabant.
Bloei
Aanvankelijk was noordelijk Herentals sterker ontwikkeld dan zuidelijk Herentals. Zo werd in 1253 het gasthuis opgericht aan de Nete, en vóór 1266 werd daartegenover, op het Nieuwland, een begijnhof gesticht. Bij het begin van de zestiende eeuw woonden er op het begijnhof ongeveer driehonderd begijntjes, en daarmee was het een van de grootste van het hertogdom.Tijdens de veertiende en vijftiende eeuw bereikte Herentals, dankzij de lakennijverheid en -handel, het hoogtepunt van zijn economische welvaart en politieke invloed; de Herentalse producten waren toen bekend over een groot deel van Europa. Herentals had in 1437 met zijn ongeveer vijfduizend inwoners de grootste bevolking van de nederzettingen in de Antwerpse Kempen.
Monumenten
Door zijn functie van centrum en zelfs van ’hoofdstad‘ van de Kempense regio manifesteerde Herentals zich dus samen met de andere Brabantse steden als een volwaardige stad en werd ook als dusdanig door de andere steden erkend. Door haar welvaart kon onze stad vanaf het begin van de vijftiende eeuw een prestigieuze bouwpolitiek voeren. De magistraat bouwde toen op de markt een nieuwe lakenhal (al spoedig alleen gebruikt als stadhuis), een vleeshal (afgebrand in 1971) en een stadsbrouwerij (oudste vermelding: 1465).
In het begin van de vijftiende eeuw kreeg de stad een aarden omwalling en werden vier stadspoorten opgetrokken.In 1417 werd begonnen met de bouw van het koor van de Sint-Waldetrudiskerk, in 1453 met de bouw van het schip.Door de financiële welvaart van de stad kwam in de vijftiende eeuw ook het geestelijk leven tot bloei. Naast het begijnhof kwamen ook twee kloosterstichtingen tot stand: het norbertinessenklooster (1410) en het minderbroederklooster (1471 - 1472). De stichting van het minderbroederklooster werd gezien als een zaak van algemeen belang van de Kempen.
Arrantales
Door een aantal externe factoren begon de lakenproductie al vanaf het begin van de vijftiende eeuw te verzwakken. Ook het aantal inwoners begon toen te dalen, tot aan het begin van de zestiende eeuw. De lakennijverheid werd stilaan verdrongen door de linnennijverheid. Herentals werd een vrij belangrijk bleek- en exportcentrum van linnen: het Herentalse linnen werd door Spanjaarden via Antwerpen tot in Amerika verscheept als ’Arrantales‘. Diverse kunstambachten als de glasschilderkunst en de borduurkunst hielpen de faam van Herentals hoog houden.
Oorlog en vrede
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) werd het omwalde Herentals omgevormd tot een garnizoenstad. Na de Spaanse garnizoenen volgden vanaf 1576 troepen die het met Willem van Oranje hielden. Vanuit Herentals controleerde het Staatse garnizoen acht jaar lang (van 1576 tot 1584) het hele Kempische platteland.In 1578 werd, om militair-strategische redenen, het omwalde gedeelte dat in het noorden op de rechteroever van de Nete was gelegen en waarop het oude begijnhof zich bevond, volledig ontmanteld.
In 1584 werd het Spaanse gezag te Herentals hersteld, en met het begin van de zeventiende eeuw brak voor de Kempen een periode van economisch herstel aan. Het begijnhof werd heropgebouwd, dit keer tussen de Hoge en de Lage Burchtstraat. Het ‘nieuwe’ begijnhof beleefde in de zeventiende en achttiende eeuw nog een relatieve bloei. In 1613, op verzoek van de magistraat, vestigden de paters augustijnen zich in de stad. Zij zouden tot het einde van het Ancien Régime lesgeven in de Latijnse School.
De gebeurtenissen van de Tachtigjarige Oorlog betekenden het einde van de laken- en linnennijverheid. Maar na de Spaanse Successieoorlog (1700 - 1713) verbeterde de economische situatie. Ook het inwoneraantal van Herentals begon weer te stijgen.Tijdens de Boerenkrijg (1798), de opstand van het platteland in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Franse revolutionairen, was Herentals gedurende een week in handen van het Kempisch Boerenleger. Op 28 oktober 1798 werden de Kempische Jongens na een bloedig treffen uit de stad verjaagd.
Nijverheid
De nijverheid die in Herentals het eerst gemechaniseerd werd, was de lakennijverheid. In 1809 werd een eerste lakenfabriek aan het Molenwater opgericht. Belangrijk industrieel erfgoed is er van de typische Herentalse nijverheden uit de negentiende en de twintigste eeuw, zoals de lakennijverheid, de ijzergieterijen en de schoenfabrieken (Van Hilst en J. Snoeys), niet overgebleven. Een tastbare herinnering aan de bloeiende lakenindustrie is het Molenwaterhof, beter bekend als ’het kasteel van Diercxsens‘. Fraaie gebouwen uit die tijd zijn het kasteel Le Paige en het huis De Limpens.
Centrumfunctie
In de negentiende en twintigste eeuw ging Herentals, mede door zijn gunstige geografische ligging, zijn regionale centrumfuncties voor de landelijke omgeving uitbreiden; de bevolkingscijfers zijn dan ook in stijgende lijn blijven gaan.Door de fusie van Herentals met Noorderwijk en Morkhoven in 1977 steeg de oppervlakte van Herentals van 2.933 ha tot 4.806 ha en de bevolking van 18.320 tot 23.334. Begin 2008 telde Herentals 26.358 inwoners.
Meer informatie
Stadsarchief, Augustijnenlaan 1, tel. 014-21 28 00, archief@herentals.be






